Er is een tijd geweest dat ik mezelf niet durfde toe te geven dat ik emotioneel verwaarloosd ben opgegroeid. Van buitenaf leek mijn jeugd gewoon normaal. Geen grote drama’s, geen rode vlaggen. Als iemand me een paar jaar geleden had gevraagd, had ik gezegd: “Ik heb niets te klagen gehad.”
Maar de littekens die je niet ziet, leven vanbinnen. Ik merkte het toen ik ouder werd en steeds vaker vastliep in relaties – met anderen, maar vooral met mezelf.
Ik voelde altijd te veel. Alsof mijn huid dunner was dan die van anderen, alsof geluiden harder binnenkwamen, blikken scherper sneden, woorden langer bleven echoën. Ik had stormen in me die ik niet kon doven. Soms barstte ik uit in tranen zonder duidelijke reden. Soms gilde ik van binnen, maar kwam er alleen stilte uit. En als ik overspoeld raakte, was er niemand die naast me kwam zitten. Niemand die zei: “Ik zie dat je worstelt. Het is oké.”
Wat ik wél leerde, was mezelf inhouden. Pleasen. Me aanpassen. Glimlachen terwijl mijn keel dichtgeknepen zat. Zorgen dat ik niet te lastig was. Alles om de vrede te bewaren. Alles om niet nog meer het gevoel te krijgen dat ik te veel was.
Het harde is dat emotionele verwaarlozing vaak niet zichtbaar is. Ik werd gevoed, gekleed, naar school gebracht. Alles leek normaal. Maar er was geen ruimte voor mijn binnenwereld. Geen woorden om te leren wat ik voelde, geen armen die me troostten als ik instortte. De boodschap die bleef hangen: slik het in, doe normaal, stel je niet aan.
Alleen: ik kón het niet inslikken. Ik voelde teveel. Veel meer dan ik aankon. Ik herinner me hoe ik als kind huilend op mijn kamer zat, het gevoel had dat mijn hart uit elkaar scheurde, maar niemand die kwam. Of hoe ik schreeuwde tegen de muur, omdat ik niet wist hoe ik die storm uit mijn lijf moest krijgen. De stilte daarna was oorverdovend. Niet omdat er rust was, maar omdat er niets en niemand was die me hielp.
Dat sloopt iets in je. Je gaat geloven dat jij het probleem bent. Niet je emoties. Niet de leegte om je heen. Nee, jijzelf. Jij bent te gevoelig. Te lastig. Te veel.
Pas zes jaar geleden, na mijn diagnose, kwam er medicatie. Niet omdat iemand me eindelijk leerde hoe ik mijn binnenwereld kon dragen, maar omdat mijn binnenwereld moest worden gedempt. En dat is rauw om te schrijven. Het voelt alsof er nog steeds gezegd wordt: “Jij bent te veel, dus we maken je wat minder.”
Het is een vreemde paradox: altijd overspoeld worden door gevoelens en tegelijk nooit hebben geleerd hoe je ermee omgaat. Het is alsof je midden in een storm geboren wordt, maar niemand je leert hoe je een schuilplaats bouwt. En op een dag kijk je op en zie je dat de storm jou heeft gevormd. Dat je littekens draagt die niemand ziet.
Die littekens zitten in alles. In mijn angst voor conflicten. In het steeds over mijn eigen grenzen stappen om maar aardig gevonden te worden. In de nachten dat ik wakker lig, omdat mijn hoofd niet stilvalt. In het kleine meisje in mij dat nog steeds denkt dat ze niet welkom is zoals ze is.
Het is pijnlijk om te beseffen dat je jeugd niet was wat je nodig had. Dat de leegte die je voelt niet zomaar uit de lucht komt vallen. En het is verwarrend, want mijn ouders deden ook gewoon hun best met wat zij hadden meegekregen. Maar dat maakt de pijn niet minder echt.
Ik deel dit niet omdat ik dit hoofdstuk heb afgerond. Integendeel. Ik deel dit omdat ik weet dat ik niet de enige ben die hier middenin zit. Misschien herken jij het ook: dat gevoel van tussen alles en niets zweven. Niet genoeg om “echte trauma’s” te mogen claimen, maar wel genoeg om elke dag die littekens te voelen.
Maar ik wil dit keer ook iets anders toevoegen. Iets wat ik pas sinds kort durf te voelen: hoop. Want ik leer steeds beter dat mijn emoties niet mijn vijand zijn. Dat ze me niet kapotmaken, maar me juist vertellen waar mijn grenzen liggen, wat ik nodig heb, waar mijn hart naar verlangt. Ik leer dat ik er mag zijn, stormen en al.
Dat is geen rechte weg. Het is vallen en opstaan. Het is mezelf steeds opnieuw toespreken dat ik niet te veel ben, dat mijn intensiteit niet verkeerd is. En soms lukt dat nog steeds niet. Maar steeds vaker wel.
Ik ben niet genezen van mijn verleden. Maar ik ben wel onderweg naar een toekomst waarin ik mezelf niet langer hoef weg te cijferen. Waarin ik de storm niet meer alleen hoef te vrezen, maar hem leer verstaan.
En misschien is dát het grootste verschil met vroeger: ik weet nu dat ik bestaansrecht heb. Dat ik niet minder hoef te zijn. Dat ik, precies zoals ik ben, genoeg ben.






