Soms voelt schrijven alsof ik over een mijnenveld loop. Elk woord dat ik neerzet, kan ontploffen. Niet omdat ik iemand bewust probeer te raken, maar omdat mijn waarheid iemand anders kan raken op een manier die ze liever niet voelen.
Ik hoor het koor van stemmetjes meteen opstarten:
“Mag je dit wel zeggen?”
“Wat als ze denken dat je ze zwartmaakt?”
“Misschien herinner jij het verkeerd. Misschien ben jíj de schuldige.”
Dat is wat jaren van pleasen, aanpassen, maskeren en camoufleren met je doen. Je leert dat je pas veilig bent als je de ander tevreden houdt. Dus slik je woorden in. Je lacht het weg. Je draait je waarheid zo dat niemand zich er ongemakkelijk bij hoeft te voelen.
Tot je op een dag merkt dat je jezelf niet meer terugvindt.
Voor veel neurodivergente mensen is dit herkenbaar. We groeien op met de boodschap dat we te intens zijn, te eerlijk, te lastig. Dat we moeten opletten hoe anderen zich voelen, omdat wij “te veel” zouden zijn. Dus maken we ons kleiner. Onzichtbaar. We cijferen onszelf weg, keer op keer.
En dan is er RSD: rejection sensitive dysphoria. Die allesverzengende angst voor afwijzing. Het is niet een beetje zenuwachtig zijn voor iemands reactie. Het is verlamming. Het is een klap in je maag bij de gedachte dat iemand boos wordt of je de rug toekeert. Alleen al de mogelijkheid dat iemand zegt: “Hoe durf je dit over mij te schrijven?” voelt alsof de grond onder je wegvalt.
Dus zwijg je. Nog een keer. En nog een keer.
Je denkt dat je daarmee de vrede bewaart. Maar in werkelijkheid breek je jezelf steeds verder af.
En toch… diep vanbinnen weet ik: feiten zijn geen aanvallen.
Als ik vertel hoe iets voor míj was, dan is dat niet hetzelfde als iemand afbranden. Het is mijn ervaring. Mijn herinnering. Mijn pijn. Mijn waarheid. Dat iemand zich daar ongemakkelijk bij voelt, zegt iets over hen. Niet over mij.
Ik heb in mijn leven mensen gekend die me beschadigd hebben. Soms door wat ze deden. Soms juist door wat ze níet deden. Door niet te zien wie ik was. Door me te laten voelen dat ik te veel of niet genoeg was. Als ik daarover schrijf, schrijf ik niet om hen onderuit te halen. Ik schrijf omdat ik mezelf recht wil doen. Omdat ik zichtbaar wil maken wat jarenlang onzichtbaar bleef.
En ja, dat schuurt. Vaak harder voor de ander dan voor mij. Want eerlijk is eerlijk: soms is het makkelijker om de boodschapper weg te zetten als “kwaadspreker” dan om te erkennen wat er werkelijk is gebeurd.
Maar mijn verhaal is van mij. En ik mag het vertellen. Ik schrijf niet om wonden open te rijten. Ik schrijf om te helen. Om mezelf te bevrijden van de stilte die te lang heeft gewogen.
Het voelt nog steeds eng. Elke zin is een sprong in het diepe. Maar nóg enger vind ik de gedachte dat ik mijn verhaal nooit zou vertellen. Dat ik mezelf voor altijd laat verdwijnen in stilte, alleen maar omdat iemand anders mijn waarheid niet wil horen.
Dus dit is mijn kompas, steeds opnieuw:
- Mijn verhaal is van mij.
- Feiten en ervaringen zijn geen aanvallen.
- Dat iemand geraakt wordt, betekent niet dat ík fout ben.
- Mijn waarheid verdient ruimte, ook als die confronterend is.
Ik schrijf. Ook als mijn handen trillen. Ook als mijn hart bonst van angst. Ook als die oude stemmetjes fluisteren dat ik moet zwijgen.
Want ik weiger mezelf nog langer weg te cijferen.
Misschien herken jij dit. Misschien slik jij ook je verhaal in, omdat je bang bent dat iemand zich aangevallen voelt. Misschien zet je jezelf opzij zodat de ander zich beter voelt. Maar jouw waarheid mag er zijn. Altijd.
En ik beloof je dit: er zijn mensen die jouw woorden nodig hebben. Mensen die zichzelf erin herkennen. Mensen die opgelucht ademhalen omdat ze eindelijk zien dat ze niet de enigen zijn.
Dus ja, schrijven is eng. Maar zwijgen is dodelijk.
En jij? Hou jij je verhaal nog vast uit angst voor reacties, of durf je het langzaam los te laten – gewoon omdat het van jou is?






