Wie ben ik eigenlijk na mijn late diagnose?

Een late diagnose van autisme, ADHD of beide kan veel duidelijk maken. Gedrag waar je jezelf jarenlang om hebt veroordeeld krijgt ineens context. Dingen die je moeilijk vond blijken niet simpelweg een kwestie van harder proberen. Er komen woorden voor ervaringen die je misschien al je hele leven hebt, maar nooit goed kon plaatsen. Dat kan veel herkenning en opluchting geven.

Tegelijkertijd kan er een heel andere vraag ontstaan: wie ben ik eigenlijk? Als je jarenlang hebt geprobeerd je aan te passen aan wat er van je werd verwacht, kan het lastig zijn om onderscheid te maken tussen wat werkelijk bij jou past en wat je onderweg hebt aangeleerd. Misschien heb je jezelf aangepast aan vrienden, partners, collega’s of familie. Misschien heb je bepaalde kanten van jezelf verborgen omdat je merkte dat anderen daar vreemd op reageerden. Of misschien heb je vooral heel goed geleerd hoe je je volgens je omgeving hoorde te gedragen.

Na een late diagnose kan daardoor een nieuwe zoektocht beginnen. Niet omdat je ineens een ander mens bent geworden, maar omdat je met andere informatie naar jezelf en je verleden gaat kijken.


Terugkijken met nieuwe informatie

Een diagnose verandert je verleden niet, maar kan wel veranderen hoe je ernaar kijkt. Situaties die vroeger vooral voelden als persoonlijk falen kunnen ineens in een ander licht komen te staan. Misschien begrijp je beter waarom bepaalde sociale situaties altijd zoveel energie kostten, waarom veranderingen je sterker raakten dan anderen leken te begrijpen of waarom je uren bezig kon zijn met iets wat je interesseerde, maar volledig vastliep op een ogenschijnlijk eenvoudige taak.

Dat kan opluchting geven. Er komt een verklaring voor dingen die eerder vooral verwarrend waren. Tegelijkertijd kan het confronterend zijn om te beseffen hoeveel energie je misschien jarenlang hebt gestoken in aanpassen, doorgaan en proberen te voldoen aan verwachtingen die niet goed aansloten bij wat jij nodig had.

Daar kunnen ook verdriet, boosheid en rouw bij komen kijken. Misschien vraag je je af hoe je leven eruit had gezien als je dit eerder had geweten. Had je andere keuzes gemaakt? Was je eerder gestopt met iets wat je voortdurend uitputte? Had je andere hulp gezocht? Had je jezelf minder vaak lui, lastig, ongemotiveerd of overgevoelig genoemd?

Op zulke vragen bestaat meestal geen duidelijk antwoord. Je kunt niet weten hoe je leven was verlopen als je eerder een diagnose had gekregen. Toch kunnen die gedachten onderdeel zijn van het opnieuw leren begrijpen van je eigen geschiedenis.


Wat is van mij en wat heb ik aangeleerd?

Iedereen past zich in bepaalde mate aan de omgeving aan. We gedragen ons thuis anders dan tijdens een sollicitatiegesprek en bij goede vrienden misschien weer anders dan bij mensen die we nauwelijks kennen. Aanpassen is daarom op zichzelf niet verkeerd en ook niet automatisch maskeren.

Het wordt ingewikkelder wanneer aanpassen jarenlang noodzakelijk heeft gevoeld om geaccepteerd te worden, conflicten te voorkomen of niet buiten de groep te vallen. Als je voortdurend kijkt naar anderen om te bepalen wat er van je verwacht wordt, kan het steeds moeilijker worden om te herkennen waar die aanpassing ophoudt en je eigen voorkeur begint.

Dat kan over grote dingen gaan, zoals relaties, opleidingen, werk of de manier waarop je je leven hebt ingericht. Maar juist de kleine dingen kunnen veel zichtbaar maken. Welke muziek vind je eigenlijk leuk? Welke kleding draag je omdat jij die prettig vindt? Vind je feestjes werkelijk gezellig, of ging je vooral omdat dat bij een sociaal leven leek te horen? Vind je spontane afspraken leuk, of heb je jezelf aangeleerd om altijd enthousiast ja te zeggen? Wil je werkelijk een volle agenda, of voelt een lege agenda ongemakkelijk omdat je hebt geleerd dat je altijd iets nuttigs moet doen?

Na een late diagnose kun je ontdekken dat je op sommige van die vragen verrassend moeilijk antwoord kunt geven. Dat betekent niet dat je geen eigen identiteit hebt. Misschien heb je alleen lange tijd weinig reden of ruimte gehad om bij dit soort vragen stil te staan.


Jezelf herkennen in kleine dingen

Jezelf opnieuw leren kennen hoeft daarom niet te beginnen met grote vragen over je identiteit of de richting van je leven. Kleine voorkeuren kunnen minstens zoveel informatie geven. Je kunt simpelweg gaan letten op waar je vanzelf naartoe trekt wanneer niemand anders bepaalt wat je zou moeten kiezen.

Voor mij zat zo’n ontdekking bijvoorbeeld in muziek. Ik merkte dat symphonic metal echt iets van mij was, los van wat partners, vrienden of andere mensen om mij heen luisterden. Op papier is dat maar een muziekvoorkeur. Voor mij was het tegelijkertijd een klein voorbeeld van ontdekken dat iets bij mij hoorde zonder dat ik daarvoor eerst naar iemand anders hoefde te kijken.

Voor iemand anders kan dat compleet iets anders zijn. Misschien ontdek je dat je eigenlijk helemaal niet van uit eten gaan houdt, maar het heerlijk vindt om met één persoon thuis af te spreken. Misschien ga je kleding dragen die prettig voelt in plaats van kleding waarvan je denkt dat die passend is. Of je pakt een hobby weer op die je ooit hebt laten vallen omdat anderen hem kinderachtig, vreemd of saai vonden.

Juist door zulke kleine dingen serieus te nemen kun je meer leren over wat bij je past. Waar krijg je energie van? Waar kijk je uit jezelf naar uit? Waar voel je steeds opnieuw weerstand tegen? Wanneer merk je dat je lichaam ontspant? Bij welke mensen hoef je minder na te denken over hoe je zit, kijkt, praat of reageert? Dat zijn geen tests waarmee je de ‘echte jij’ kunt vinden, maar wel signalen die kunnen helpen om jezelf beter te leren begrijpen.


Maskeren stopt niet ineens na een diagnose

Na een late diagnose ontstaat soms het idee dat je nu moet gaan ontmaskeren. Je weet immers eindelijk waarom je jezelf altijd hebt aangepast, dus dan kun je daarmee stoppen en voortaan volledig jezelf zijn. Alleen werkt maskeren lang niet altijd bewust en is het meestal niet iets wat je simpelweg aan of uit kunt zetten.

Wanneer je bepaald gedrag jarenlang hebt aangeleerd, kan het automatisch zijn geworden. Misschien lach je automatisch wanneer je denkt dat dit sociaal verwacht wordt, maak je oogcontact terwijl het je eigenlijk veel energie kost of zeg je direct dat het goed gaat wanneer iemand vraagt hoe het met je gaat. Misschien pas je je manier van praten, bewegen of reageren aan zonder dat je op dat moment bewust besluit om dat te doen.

Een diagnose kan ervoor zorgen dat je zulke patronen beter gaat herkennen, maar daarmee verdwijnen ze niet ineens. Bovendien hoeft het doel ook niet te zijn dat je jezelf nooit meer aanpast. Er kunnen genoeg situaties zijn waarin je bewust kiest hoe je jezelf presenteert of communiceert.

De vraag is misschien eerder hoeveel ruimte je hebt om daar zelf een keuze in te maken. Merk je wanneer je jezelf aanpast? Begrijp je waarom je dat doet? Voelt het veilig om het soms niet te doen? En hoeveel energie kost het je om bepaald gedrag voortdurend vol te houden? Daarmee wordt minder maskeren geen opdracht om voortaan altijd volledig ‘ongefilterd’ jezelf te zijn, maar een zoektocht naar waar je jezelf misschien wat meer ruimte kunt geven.


Als je grenzen ineens lijken te veranderen

Na een diagnose kunnen ook je grenzen zichtbaarder worden. Dat kan verwarrend zijn voor jezelf en soms ook voor de mensen om je heen. Misschien kon je vroeger toch ook naar verjaardagen? Je werkte toch altijd zoveel uur? Je vond het toch nooit een probleem als plannen veranderden? Waarom lukt dat na je diagnose ineens niet meer?

Het feit dat iemand iets jarenlang heeft gedaan, betekent alleen niet automatisch dat het geen moeite kostte. Misschien was er achteraf veel hersteltijd nodig. Misschien werden signalen van overbelasting genegeerd omdat je dacht dat iedereen dit ervoer. Misschien ging je door totdat je lichaam of hoofd uiteindelijk zelf op de rem trapte.

Wanneer je jezelf na een diagnose beter begint te begrijpen, kun je signalen soms eerder herkennen. Waar je vroeger automatisch ja zei, denk je nu misschien eerst na of je daadwerkelijk wilt én kunt. Waar je vroeger doorging tot je volledig uitgeput was, merk je eerder dat je rust nodig hebt. Daardoor kan het van buitenaf lijken alsof je sinds je diagnose minder kunt of meer grenzen hebt gekregen, terwijl je misschien vooral eerder bent gaan luisteren naar grenzen die er al veel langer waren.

Dat betekent overigens niet dat iedere grens na een diagnose automatisch vaststaat of dat je jezelf nooit meer hoeft uit te dagen. Ook daarin blijft het zoeken. Het verschil is dat je beter kunt proberen te onderscheiden wanneer iets spannend of nieuw is en wanneer je daadwerkelijk over je eigen draagkracht heen gaat.


Ook relaties kunnen veranderen

Wanneer je anders met jezelf omgaat, kan dat invloed hebben op je relaties. Mensen om je heen kennen een bepaalde versie van jou en zijn misschien gewend geraakt aan de manier waarop jij je aanpast. Wanneer je vaker je mening geeft, een grens aangeeft of niet meer automatisch meegaat in wat een ander wil, kan dat wennen zijn.

Sommige contacten blijken misschien vooral goed te werken zolang jij degene bent die meebeweegt. Dat kan pijnlijk zijn om te ontdekken. Andere relaties kunnen juist gemakkelijker of gelijkwaardiger worden wanneer je duidelijker kunt vertellen wat je nodig hebt en de ander daar rekening mee kan houden.

Ook je eigen blik op sociale contacten kan veranderen. Misschien ga je minder kijken naar hoeveel vrienden je hebt of hoe vaak je mensen ziet en meer naar hoe een contact daadwerkelijk voelt. Kun je bij iemand stil zijn zonder dat je het gevoel hebt het gesprek voortdurend gaande te moeten houden? Kun je enthousiast vertellen over iets wat je interesseert? Kun je aangeven dat je moe bent of ergens geen ruimte voor hebt zonder bang te zijn dat de hele relatie daardoor onder druk komt te staan?

Dat betekent niet dat alle relaties altijd moeiteloos moeten zijn. Iedere relatie vraagt aanpassing, rekening houden met elkaar en soms compromissen sluiten. Het verschil zit vooral in de ruimte die er overblijft voor jou binnen die relatie.


Bestaat er eigenlijk wel één ‘echte jij’?

De vraag ‘wie ben ik eigenlijk?’ suggereert al snel dat ergens onder alle aangeleerde patronen één echte versie van jezelf verstopt zit. Alsof je alle maskers en invloeden van anderen kunt verwijderen en uiteindelijk bij je volledig authentieke zelf uitkomt. Ik denk dat het ingewikkelder ligt.

Iedereen wordt gevormd door ervaringen, relaties en de omgeving. We nemen dingen van andere mensen over en maken daar soms vervolgens iets van onszelf van. Bovendien veranderen we gedurende ons leven. Iets wat tien jaar geleden perfect bij je paste, kan nu niet meer kloppen. Een hobby of muzieksmaak die ooit via een partner in je leven kwam, kan ondertussen alsnog echt van jou zijn geworden.

Jezelf opnieuw leren kennen na een late diagnose hoeft daarom niet te betekenen dat je alles uit het verleden uit elkaar moet trekken om te bepalen wat oorspronkelijk van jou was en wat je van iemand anders hebt overgenomen. Misschien is een veel bruikbaardere vraag: past dit nu nog bij mij?

Soms is het antwoord heel duidelijk ja. Soms ontdek je dat je iets vooral deed omdat je dacht dat het van je verwacht werd. En soms weet je het nog niet. Je hoeft na je diagnose niet binnen een paar maanden een compleet nieuwe en definitieve identiteit te hebben opgebouwd. Je mag ook onderzoeken, proberen, van gedachten veranderen en later opnieuw kijken.


Je diagnose vertelt niet wie je bent

Autisme of ADHD kan veel verklaren over hoe je informatie verwerkt, waarom bepaalde situaties veel energie vragen of waarom je tegen specifieke dingen aanloopt. Maar een diagnose vertelt uiteindelijk niet wie jij als persoon bent. Er bestaat geen autistische muzieksmaak, ADHD-hobby of AuDHD-manier waarop je je leven moet inrichten.

Wat een late diagnose wel kan geven, is nieuwe informatie waarmee je opnieuw naar jezelf kunt kijken. Misschien hoef je daardoor iets minder vaak te beginnen bij de vraag wat normaal is, hoe andere mensen het doen of wat er van je verwacht wordt. Je kunt vaker onderzoeken wat bij jou past, wat je nodig hebt en welke dingen je eigenlijk veel meer energie kosten dan je altijd hebt gedacht.

Dat proces hoeft geen rechte lijn te zijn en er hoeft ook geen moment te komen waarop je kunt zeggen dat je jezelf nu volledig hebt gevonden. Mensen blijven veranderen en nieuwe dingen over zichzelf ontdekken. Misschien is jezelf leren kennen daarom ook nooit echt klaar.

Een late diagnose kan wel een moment zijn waarop je jezelf toestemming geeft om die vragen eindelijk serieus te nemen.


Een vraag aan jou

Ben jij jezelf na je diagnose anders gaan bekijken? Welke voorkeur, behoefte of grens heb jij bij jezelf ontdekt waarvan je eerder niet besefte hoe belangrijk die voor je was?

3 gedachten over “Wie ben ik eigenlijk na mijn late diagnose?”

  1. Margo Luberti

    Ik heb geen officiële diagnose, maar zeer sterke aanwijzingen dat ik een Audhder ben, dankzij jouw boeken 🙏.
    Ik ben vooral milder naar mijzelf geworden na deze bewustwording. Ik voel meer het speelse kind in mij dat enorm geprobeerd heeft om zich aan te passen.
    Sinds mijn 2de burnout op mijn 36ste had ik mijzelf beloofd mij niet meer te verloochenen, maar ik kon toen nog niet bevroeden in hoeverre ik dit deed. Het werd vanaf toen een weg terug naar mijn kern, daarvoor moest ik mij vele trauma’s bewust worden. Alle verstorende ruis op mijn levensweg kwam naar boven. Ik ben nu 67 en voel meer dan ik ooit heb gevoeld. En bepaal mijn koers weer opnieuw. Het leven vraagt steeds om bij te stellen, maar wel steeds meer afgestemd op mijn ware Zijn.

  2. Helemaal mee eens! Ik ben door mijn Autisme-en ADHD-diagnose niet ineens een ander mens geworden. Het maakt veel duidelijk. Ik kijk inderdaad anders tegen mijn verleden aan en ben mezelf ook aan het herontdekken. Heb veel over mezelf geleerd.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven