Ouder zijn met een lege batterij

We zouden gaan zwemmen.
Zij had er zin in.
Ik ook, want ik hou van water. Altijd al. Het is één van de weinige plekken waar mijn hoofd soms stilvalt, waar mijn lijf even zweeft in plaats van zwoegt.

Maar er zit zoveel vóór dat moment van rust.
Inpakken. Denken aan handdoeken, spullen, drinken. Naar het zwembad toe. Omkleden in een te kleine kleedruimte, met galmende stemmen en felle TL-verlichting. De prikkels in het water: echo’s, spetters, mensen die te dichtbij komen.
En daarna weer alles in omgekeerde volgorde. Aankleden. Terug naar huis.
Dat is geen uitje, dat is een uitputtingsslag.

Maar ik wilde het doen. Voor haar. Omdat ik weet hoe goed het haar doet.
Omdat water haar ook helpt. Omdat ik moeder ben. En dus ga je. Toch?

Tot ik mijn zwempak niet kon vinden.

En ik was er écht van overtuigd dat ik het had meegenomen.
Ik zag het voor me. In mijn hoofd had ik het geregeld, ingepakt, gecheckt.
Maar het lag nog bij mijn vriend.
Niet in mijn tas. Niet in huis. Niet beschikbaar.

En toen begon de paniek.
Ik heb een uur lang gezocht.
Op 32 vierkante meter. Alles minstens twintig keer door mijn handen laten gaan.
Ik wist rationeel dat ik het niet zou vinden. Maar ik kon niet stoppen.

Mijn hoofd sloeg op hol:
Ik weet zeker dat ik het heb meegenomen. Waarom ligt het er niet? Wat heb ik fout gedaan? Ik moet dit oplossen. Nu. Nu. NU.

En zo kwam ik vast te zitten in een loop.
Niet een die je aan de buitenkant meteen ziet, geen tranen, geen drift, maar zo’n innerlijke storm die je hele systeem in beslag neemt.
Die je lamlegt. Waarin niets meer binnenkomt, en alles draait om dat ene ongrijpbare punt: waarom lukt dit niet?

Zij bleef rustig.
Er was geen drama. Geen uitbarsting.
Maar ik zag het aan haar. De stille teleurstelling.
Ze had zich erop verheugd. Net als ik.

En ergens in de ruimte tussen ons hing dat zinnetje dat niemand uitsprak: jammer dan.
Niet als oordeel, maar als verdrietige constatering.

Wat ik misschien nog moeilijker vond dan het vastlopen, was dat ik niet uit de error kon komen.
Niet kon schakelen naar: “oké, dan doen we iets anders.”
Mijn hoofd bleef ronddraaien in dat ene mislukt moment. Alsof ik daarmee het falen kon terugdraaien.

Zij bewoog juist wél mee.
En dat raakte me.
Want ook al zei ze niks, ook al liet ze me begaan, ze was erbij.
Ze keek. Ze voelde.
En ergens weet ik: ook dat is waardevol.
Ook dat is leren.

Ze ziet mij zoals ik echt ben.
Niet alleen als moeder, maar als mens met een brein dat soms crasht.
En misschien is dat, ondanks alles, ook goed.
Omdat zij ook zo’n brein heeft.
Omdat zij ook wel eens vastloopt.
Omdat ze zo leert: het hóeft niet altijd te lukken. En zelfs dan blijf je liefhebben. Blijf je samen.

We zijn uiteindelijk niet gaan zwemmen.
Maar we hebben wel wat lekkers gehaald.
We hebben extra aandacht aan het eten gegeven.
Herpakt wat er te redden viel.
Misschien niet wat we gepland hadden, maar het was wél samen.

En misschien…
was dat uiteindelijk precies wat we nodig hadden.

Ik voel me vaak tekortschieten.
Omdat ik crash. Omdat ik niet snel genoeg herstel.
Omdat ik dingen in mijn hoofd regel, maar niet altijd uitvoer.

Maar misschien…
geef ik wel gewoon alles wat ik heb.
En misschien is dat, op dagen als deze, gewoon genoeg.

Blijf op de hoogte

Ontvang een email zodra er een nieuwe blogpost online komt.

We spammen niet! Lees ons privacybeleid voor meer info.

Dit veld is vereist.

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven