Soms merk je pas hoeveel spanning je jarenlang hebt gedragen, op het moment dat die spanning eindelijk iets begint af te nemen. Dat klinkt misschien tegenstrijdig. Alsof rust automatisch rustgevend zou moeten zijn. Alsof herstel direct prettig voelt. Alsof meer veiligheid betekent dat alles ineens makkelijker wordt. Maar eerlijk? Zo voelt het voor mij momenteel helemaal niet.
Er verschuift van alles in mij. Niet op een dramatische manier, alsof ik ineens een compleet ander persoon ben geworden. Het voelt eerder alsof mijn systeem langzaam opnieuw probeert uit te vinden hoe het eigenlijk hoort te functioneren, nu er iets minder overleving nodig lijkt te zijn. En dat is vreemd.
Het afgelopen jaar is er veel gebeurd. De verhuizing. De stress rondom woonruimte. Continu bezig zijn met de vraag of alles wel goed zou komen. Therapie. EMDR. Medicatie. Langzaam iets meer rust. Langzaam iets meer veiligheid. Blijkbaar doet dat meer met een mens dan ik zelf doorhad. Ik merk namelijk dat mijn ritme compleet begint te verschuiven.
Mijn hele leven dacht ik dat ik een nachtmens was. Niet een beetje, maar echt extreem. Als ik geen wekker had, sliep ik zonder moeite tot laat in de middag door. ’s Nachts voelde ik me het meest mezelf. Rustiger. Vrijer. Minder prikkels. Minder verwachtingen. Minder mensen die iets van me wilden. De nacht voelde veilig. Ik kon tot diep in de nacht gamen, lezen, tekenen of schrijven. Soms tot vier uur ’s nachts, soms nog later. Overdag voelde de wereld vaak te hard, te fel en te aanwezig. Maar ’s nachts leek alles eindelijk zachter te worden. Nu gebeurt er iets wat ik nauwelijks herken.
Ik word vroeg wakker. Soms echt vroeg. Niet omdat ik moet, maar omdat mijn lichaam blijkbaar wakker is. En rond een uur of tien ’s avonds ben ik moe. Echt moe. Mijn lijf wil slapen. Niet “ik moet verstandig zijn en naar bed gaan”, maar letterlijk: op. En dat voelt heel onnatuurlijk. Alsof mijn identiteit niet helemaal meer klopt met mijn lichaam. Alsof mijn hoofd nog gewend is aan een leven dat mijn zenuwstelsel misschien niet meer volledig volhoudt.
Tegelijkertijd merk ik ook dat de medicatie iets doet. En dat is ingewikkeld om uit te leggen, omdat mijn hoofd niet ineens “uit” staat. Ik ben nog steeds ik. Mijn gedachten zijn er nog steeds. Mijn gevoeligheden ook. Buiten draag ik nog steeds een zonnebril. Licht blijft vervelend. Drukke omgevingen blijven intens. Het is niet alsof ik ineens de wereld probleemloos aankan. Maar het voelt alsof er nu een soort filter tussen zit. Alsof alles iets gedempter binnenkomt. Niet verdoofd. Niet afgevlakt. Meer alsof het volume lager staat.
Mijn eigen stem in mijn hoofd klinkt zachter. Prikkels slaan minder hard binnen. Gedachten voelen minder schreeuwerig aanwezig. Niet omdat ze weg zijn, maar omdat mijn systeem ze blijkbaar minder hard hoeft te verwerken. En ik denk dat dat misschien het grootste verschil is.
Ik begin steeds meer te beseffen dat een groot deel van mijn “drukke hoofd” misschien helemaal niet alleen uit ADHD kwam, maar uit een zenuwstelsel dat jarenlang permanent overprikkeld en hyperalert is geweest. Altijd scannen. Altijd aanpassen. Altijd aanstaan. Altijd alert op sfeer, spanning, geluid, verwachtingen en signalen. Als je jarenlang leeft in overlevingsmodus, ga je denken dat die staat normaal is. Dat dát je persoonlijkheid is. Dat jij gewoon iemand bent die altijd aanstaat, altijd moe is, altijd overdenkt, altijd doorgaat.
Maar wat als een deel daarvan eigenlijk een zenuwstelsel is dat nooit echt rust heeft gekend?
Dat besef komt momenteel steeds harder binnen. En ergens is dat mooi. Maar ook rouwig. Want overlevingspatronen zijn slopend, maar ook vertrouwd. Ze worden onderdeel van wie je denkt te zijn. Zelfs dingen die ongezond zijn kunnen veilig voelen, puur omdat je ze kent. Ik merk nu dat ik opnieuw moet kalibreren. Opnieuw moet ontdekken wanneer ik energie heb. Waar ik rustig van word. Wie ik eigenlijk ben zonder constante adrenaline. Wat ik fijn vind, nu mijn systeem niet meer volledig op spanning draait.
En eerlijk? Dat voelt momenteel vooral een beetje meh. Niet slecht. Niet depressief. Niet hopeloos. Meer leeg op een vreemde manier.
Ik heb al een week niet gelezen. Voor veel mensen misschien niets bijzonders, maar voor mij zegt dat best veel. Lezen is normaal juist een veilige plek voor me. Tekenen wil ik ergens wel, maar ik weet niet wat. Games trekken me minder. Alles voelt een beetje tussenin.
En misschien is dat precies wat dit is. Een tussenfase. Niet meer volledig overleven, maar ook nog niet gewend aan rust. Misschien moet mijn systeem opnieuw leren hoe veiligheid voelt. Misschien moet mijn lichaam eindelijk herstellen van jaren spanning. Misschien komt er nu pas ruimte om te voelen hoe moe ik eigenlijk was. En misschien is het logisch dat dat niet direct als opluchting voelt.
Want herstel is niet altijd een grote, mooie doorbraak. Soms is herstel gewoon merken dat je lichaam ineens zegt dat het genoeg is geweest.
En dan moet je opnieuw leren luisteren.






