Er ligt een project te wachten. Al maanden. Een DM-scherm, speciaal voor mijn D&D-sessies.
In mijn hoofd is het allang klaar. Ik zie de panelen voor me, de texturen, de kleuren. Ik weet precies welke materialen ik wil gebruiken en welke technieken ik ga proberen. In gedachten heb ik het al zeker twintig keer afgemaakt.
Maar in het echt?
Niets. Helemaal niets.
De materialen liggen klaar. Ik heb het foam, de tools, de lineaal, de mesjes. Ik heb zelfs de luxe van een vrije eettafel bij mijn vriend, in tegenstelling tot thuis waar de ruimte altijd vol ligt. Alle omstandigheden zijn er om te beginnen. En toch komt het niet uit mijn handen.
De makkelijke verklaring is: het is warm. Te warm om iets groots of inspannends te starten. Mijn lijf schiet in overlevingsstand en dan voelt elke handeling als een berg die beklommen moet worden. Maar als ik eerlijk ben, weet ik dat dit niet de enige reden is. Zelfs op een koele dag weet ik niet of ik eraan begonnen zou zijn.
Er zit een blokkade in mij.
Misschien herkenbaar voor anderen met een neurodivergent brein: mijn hoofd draait door, mijn handen blijven stil. Ik weet wat ik wil, ik weet hoe ik het moet doen, maar de stap van weten naar doen is een kloof waar ik soms eindeloos naar blijf staren.
Een deel van die blokkade is perfectionisme.
Dit project is voor mij niet zomaar knutselen; het is beladen. Het moet mooi worden. Het moet stevig zijn, creatief, eigen. Het moet passen bij dat beeld dat ik al zo levendig in mijn hoofd heb. En zolang ik niet begin, blijft dat beeld perfect. Zodra ik de eerste snede maak, kan het alleen maar tegenvallen.
Dat maakt starten eng. Want het is niet alleen het foam dat ik snij, het voelt ook alsof ik in mijn eigen idee snij. En als het mislukt, mislukt er een stukje van mij mee.
Daarnaast is er nog iets anders: de strijd tussen uitgestelde en directe beloning.
Een DM-scherm maken betekent uren werken voordat ik iets heb dat “klaar” is. Het vraagt geduld, doorzetten, herhalen. Terwijl gamen, kletsen op Discord of gewoon even scrollen me meteen een beloning geven. Directe dopamine versus lange adem. Mijn brein kiest dan bijna vanzelf de makkelijke weg. Niet omdat ik het DM-scherm niet wil, maar omdat de route ernaartoe oneindig veel zwaarder voelt dan de klik van een muis of de lach van een vriend online.
En toch weet ik wat de oplossing is.
Niet groot beginnen. Geen hele panelen tegelijk. Geen perfect plan uitvoeren. Gewoon een klein proefstukje maken. Een vierkant foam van tien bij tien centimeter. Een paar lijnen snijden. Met een staalborsteltje kijken hoe hard ik moet drukken om houtstructuur te krijgen. Experimenteren, spelen. Zonder druk, zonder doel.
Ik wéét dat dit de sleutel is.
Maar weten en doen zijn niet hetzelfde.
Zelfs zo’n mini-stap kan voelen alsof ik een marathon moet lopen.
En dus zit ik hier, met een hoofd dat overloopt van plannen en een tafel die leeg blijft. Tussen alles en niets.
Tussen de perfecte droom in mijn hoofd en de onbeholpen eerste snede die ik nog niet heb durven zetten.
Misschien is dat precies het verhaal dat ik nu wil delen. Want dit is hoe het soms gaat met een neurodivergent brein. Je ziet de weg voor je, je kent elke bocht en elk eindpunt, maar de eerste stap blijft de moeilijkste. Niet omdat je niet wilt, maar omdat er onzichtbare blokkades zijn die logica niet zomaar weghaalt.
Ik weet nog steeds niet wanneer ik begin. Misschien vanavond, misschien volgende week. Misschien blijft het nog even liggen tot ik mezelf kan verleiden tot dat kleine proefstukje. Maar ergens voelt het schrijven van dit stuk al als een eerste beweging. Alsof ik een stukje van de blokkade zichtbaar heb gemaakt, en daarmee ook een stukje heb weggenomen.
Het DM-scherm is in mijn hoofd nog steeds perfect. In het echt zal het dat nooit worden.
Maar misschien hoeft dat ook niet. Misschien is het genoeg dat het straks niet meer alleen in mijn hoofd bestaat, maar tastbaar op tafel ligt. Misschien is dát de echte winst.






