Er leeft nog steeds het idee dat medicatie bij iedereen ongeveer hetzelfde zou moeten doen. Werkt het niet, dan klopt de dosering niet. Of dan ligt het aan motivatie, verwachting of inzet. Voor veel neurodivergente mensen gaat die redenering niet op. Niet omdat zij uitzonderingen zijn, maar omdat hun lichaam anders reageert én omdat medische standaarden lang niet zo neutraal zijn als vaak wordt aangenomen.
Neurodivergentie beperkt zich niet tot het hoofd. Het zenuwstelsel, het lichaam en de context waarin gemeten en voorgeschreven wordt spelen allemaal mee.
Standaarden zijn niet zo standaard
Veel medische richtlijnen zijn gebaseerd op gemiddelden. Die gemiddelden zijn vaak oud en grof. Ze zijn grotendeels ontwikkeld op basis van onderzoek bij volwassen, witte, neurotypische mannen. Dat geldt voor doseringen, referentiewaarden in bloedonderzoek en aannames over wat een ‘normale’ reactie is.
Afwijkingen worden daardoor al snel gezien als een probleem bij het individu, terwijl ze ook kunnen wijzen op een standaard die niet passend is. Dit raakt niet alleen neurodivergente mensen, maar hen vaak wel extra hard, omdat hun lichaam en zenuwstelsel al anders functioneren dan het gemiddelde waar die standaarden op zijn gebaseerd.
Geen één lijn in werking
Bij neurodivergente mensen valt op dat de reactie op medicatie vaak afwijkt van wat verwacht wordt. Sommigen reageren extreem gevoelig op lage doseringen. Anderen merken nauwelijks iets, zelfs bij hogere doseringen. Dat geldt niet alleen voor ADHD medicatie, maar ook voor antidepressiva, pijnstilling en andere middelen.
Dit patroon wordt regelmatig gezien, maar nog te vaak geïnterpreteerd als weerstand, aanstellerij of placebo. Terwijl het veel logischer is om te kijken naar biologische variatie en context.
Het zenuwstelsel speelt een rol
Het zenuwstelsel van veel neurodivergente mensen functioneert langdurig in een verhoogde staat van alertheid. Stress is geen tijdelijke piek, maar vaak een basistoestand. Dat heeft invloed op prikkelverwerking, energieregulatie en ook op hoe stoffen worden verwerkt.
Een lichaam dat langdurig in overleving staat, reageert anders op stimulatie of demping. Medicatie die bedoeld is om focus te verbeteren of spanning te verlagen, kan daardoor weinig doen, te veel doen, of onvoorspelbaar werken. Niet omdat de medicatie “niet klopt”, maar omdat het systeem waarop het inwerkt anders is afgesteld.
Stress, darmen en opname van medicatie
Je darmen en je brein staan voortdurend met elkaar in contact. Wat er in je hoofd gebeurt, heeft invloed op je buik. En wat er in je buik gebeurt, heeft invloed op je hoofd. Dat zie je bijvoorbeeld wanneer stress buikklachten veroorzaakt, of wanneer spanning leidt tot misselijkheid of diarree.
Bij langdurige stress kan de werking van de darmen veranderen. Dat heeft invloed op hoe voedingsstoffen en medicatie worden opgenomen. Bij veel neurodivergente mensen staat het stresssysteem lange tijd hoger afgesteld. Dat beïnvloedt niet alleen het brein, maar ook het lichaam.
Stress kan de darmfunctie verstoren en daarmee invloed hebben op hoe medicatie werkt. Soms wordt een middel minder goed opgenomen. Soms lijkt het effect volledig uit te blijven. Dit betekent niet dat alles ‘in de darmen zit’. Het laat vooral zien dat lichaam en brein één systeem vormen en elkaar continu beïnvloeden.
Bindweefsel en lichamelijke variatie
Bij een deel van de neurodivergente mensen komt bindweefselproblematiek vaker voor, zoals hypermobiliteit of het Ehlers Danlos spectrum. Dit kan samengaan met pijn, vermoeidheid, instabiliteit en een verhoogde lichamelijke gevoeligheid.
Ook dit heeft invloed op hoe het lichaam reageert op belasting, stress en medicatie. Niet omdat er iets mis is, maar omdat het lichaam anders is opgebouwd. Dat vraagt om andere verwachtingen en soms om een andere benadering.
Dit is geen pleidooi tegen medicatie
Deze uitleg is geen pleidooi tegen het gebruik van medicatie of medische behandeling. Voor veel mensen is medicatie helpend of zelfs noodzakelijk. Het doel van deze blog is niet om te ontmoedigen, maar om te nuanceren.
Juist omdat veel artsen en andere professionals niet altijd bekend zijn met deze verschillen, is het waardevol om dit zelf te benoemen wanneer je met medicatie start of wanneer een behandeling wordt voorgesteld. Niet om te twijfelen aan medische expertise, maar om het gesprek vollediger te maken.
De variatie in reactie beperkt zich bovendien niet tot ADHD medicatie of antidepressiva. Ook bij andere medicijnen, pijnstilling en verdovingen worden afwijkende reacties gezien. Dat kan gaan om plaatselijke verdoving die nauwelijks werkt, of juist om mensen die bij een lage dosering al volledig onderuitgaan. Hetzelfde geldt voor verdoving bij operaties, waarbij sommigen veel meer nodig hebben dan verwacht en anderen juist veel minder.
Dit soort verschillen zijn niet uitzonderlijk en zeggen niets over aanstellerij of angst. Ze wijzen op een lichaam dat anders reageert op stoffen dan het gemiddelde waarop protocollen zijn gebaseerd.
Daarom is het verstandig om dit soort ervaringen altijd te benoemen bij een arts of behandelaar. Zeker bij ingrepen of nieuwe medicatie kan die informatie helpen om beter af te stemmen en risico’s te verkleinen.
Context doet ertoe
Wanneer medicatie niet werkt zoals gehoopt, ontstaat vaak druk. Nog een verhoging. Nog een middel. Nog een poging. Soms is dat terecht. Soms is het belangrijker om eerst breder te kijken. Naar stressniveau, slaap, prikkelbelasting en lichamelijke klachten.
Medicatie staat niet los van het lichaam dat het moet verwerken.
Persoonlijke observatie
Wat ik vaak zie, is dat mensen aan zichzelf gaan twijfelen wanneer medicatie niet werkt zoals verwacht. Alsof het iets zegt over hun motivatie of inzet. Terwijl het veel vaker iets zegt over hoe hun lichaam reageert binnen standaarden die niet voor hen zijn ontworpen. Dat besef kan spanning wegnemen en ruimte geven in een toch al kwetsbaar traject.
Eindvraag voor de lezer
Als je kijkt naar jouw ervaringen met medicatie, wat speelde er dan mee? Alleen de dosering, of ook je stressniveau, je lichaam en de normen waartegen gemeten werd? En wat verandert er als je dat geheel meeneemt?







Heel verhelderend, nu snap ik waarom de plaatselijke verdoving bij de plaatsing van een PAUL- implantaat onvoldoende werkte..
Ik heb een keer geprobeerd te achterhalen of ik add had door medicijnen te nemen. Als het zou helpen, dan…
Ik werd er juist helemaal zenuwachtig van, dus weer gestopt en het er bij laten zitten.
En mijn brein blijft altijd haken bij een klein detail. Nu ook. Als mijn ontlasting “dwars” zit, dan word ik een beetje duizelig soms. Daar kan niemand wat mee. Maar dat is dus ook die verbinding van darmen en brein.