Uitval, niet kunnen werken en de vraag: “Wat doe jij?”

Het lijkt een onschuldige vraag.
Wat doe je?
Wat voor werk doe je?

Voor veel neurodivergente mensen is dit een van de meest beladen vragen die er zijn. Niet omdat werk onbelangrijk is, maar omdat deze vraag raakt aan waarde, identiteit en het gevoel wel of niet te voldoen.

Zeker bij een late diagnose komt uitval of minder kunnen werken vaak voor. En bijna nooit uit het niets.

Waarom werk zo’n beladen thema is
In onze maatschappij is werk meer dan inkomen. Het is status, structuur en legitimatie. Werken betekent meedoen. Niet werken vraagt uitleg.

Als je niet werkt, of minder werkt dan de norm, voelt het al snel alsof je tekortschiet. Alsof je moet verantwoorden waarom jouw leven anders loopt. Dat maakt deze vraag beladen, zelfs als hij zonder kwade bedoelingen wordt gesteld.

Uitval is zelden een plotselinge gebeurtenis
Voor veel neurodivergente mensen is uitval het eindpunt van een jarenlang proces. Jaren van aanpassen, doorduwen, signalen negeren en jezelf structureel overvraagd hebben.

Dat kan zich uiten in mentale uitputting, burn-out, autistische burn-out, chronische vermoeidheid, lichamelijke klachten of een combinatie daarvan. Het lichaam trekt uiteindelijk aan de noodrem.

Dat is geen gebrek aan inzet. Het is het gevolg van te lang meer geven dan je hebt.

Niet willen versus niet kunnen
Er bestaat een hardnekkig idee dat niet werken een keuze is. Dat iemand het niet genoeg probeert. Dat is voor veel mensen pijnlijk onjuist.

Niet kunnen werken is fundamenteel iets anders dan niet willen. Het gaat niet over motivatie, maar over belastbaarheid. Over wat je lijf en systeem aankunnen zonder verder beschadigd te raken.

Voor sommige mensen betekent dat minder werken. Voor anderen betekent het helemaal niet meer kunnen werken. Dat is geen zwakte. Dat is een realiteit waar iemand mee moet leren leven.

Minder werken is geen falen
Gelukkig wordt parttime werken steeds normaler. Maar voor veel neurodivergente mensen gaat het verder dan dat. Soms is een halve dag al te veel. Soms zijn twee dagen per week het maximum. En soms is zelfs dat niet haalbaar.

Dat vraagt om aanpassing, niet om schaamte. Toch voelen veel mensen dat laatste wel degelijk.

De schaamte van uitval
Uitval raakt aan schaamte. Schaamte richting de buitenwereld, maar ook richting jezelf. Je ziet anderen doorgaan. Werken. Carrière maken. En jij zit thuis.

Dat kan voelen alsof je faalt. Alsof je niet sterk genoeg bent. Alsof je iets niet goed hebt gedaan. Die gevoelens worden versterkt door een maatschappij die productiviteit als maatstaf gebruikt.

Schuldgevoel en de lat die nooit omlaag ging
Veel mensen voelen zich schuldig. Naar de maatschappij. Naar hun omgeving. Naar zichzelf.

Pas later ontstaat soms het besef: ik zit hier niet omdat ik te weinig heb gedaan, maar omdat ik te veel heb gedaan. Omdat ik jarenlang over mijn grenzen ben gegaan, vaak zonder te weten dat ik dat deed.

Mildheid naar jezelf vinden in dat besef is moeilijk. Zeker als je hele leven is ingericht op doorgaan en voldoen.

Openheid of privacy: geen simpele keuze
Open zijn over diagnoses en uitval is geen verplichting. Het is een afweging. Veiligheid, context en energie spelen daarin een rol.

Sommige mensen kiezen voor privacy omdat uitleg te veel kost. Anderen kiezen voor openheid omdat ze willen normaliseren, omdat het onderdeel is van wie ze zijn.

Geen van beide is beter. Het gaat om wat voor jou klopt.

Waarom ik kies voor openheid
Ik kies ervoor om open te zijn, omdat neurodivergentie in elke vezel van mijn lijf zit. Omdat ik het niet langer wil wegstoppen of maskeren. Niet omdat ik dat altijd makkelijk vind, maar omdat ik vind dat dit genormaliseerd mag worden.

Dat betekent niet dat ik een ruimte binnenloop en me voorstel met mijn diagnose. Maar als de vraag komt wat ik doe, zeg ik wel dat ik niet werk in de traditionele zin. Dat ik ben afgekeurd, mede door mijn late diagnose. En dat ik me inzet op mijn eigen manier.

Wat ik doe met Neurodivers Denken voelt voor mij als vrijwilligerswerk. Ik verdien er nauwelijks aan. Maar ik doe het in mijn eigen tempo, met volledige regie. Dat is het verschil. Als ik dezelfde energie, uren en verantwoordelijkheid voor een werkgever zou moeten inzetten, zou dat niet haalbaar zijn.

Wat zeg je als iemand het vraagt
Je hoeft jezelf niet uit te leggen. Korte antwoorden zijn genoeg.

Bijvoorbeeld:

  • Ik werk op dit moment niet.
  • Ik ben bezig met herstel.
  • Ik doe dingen op mijn eigen manier.
  • Ik heb andere prioriteiten dan betaald werk.

Meer is niet verplicht.

Waarom deze vraag anders stellen helpt
Voor de buitenwereld helpt het om te beseffen dat “wat doe je voor werk” geen neutrale vraag is.

Alternatieven kunnen zijn:

  • Waar houd jij je momenteel mee bezig?
  • Wat geeft jouw leven nu invulling?
  • Waar gaat je energie op dit moment naartoe?

Dat opent ruimte zonder oordeel.

Persoonlijke observatie
In het begin vond ik deze vraag verschrikkelijk. Ik voelde me schuldig en klein. Pas later kon ik zien dat ik hier niet zit omdat ik gefaald heb, maar omdat ik mezelf jarenlang heb overvraagd. Dat besef bracht geen opluchting, maar wel meer mildheid. En die mildheid had ik nodig om überhaupt verder te kunnen.

Eindvraag voor de lezer
Als we stoppen met mensen te beoordelen op wat ze produceren, wat blijft er dan over van hoe we waarde definiëren?

1 gedachte over “Uitval, niet kunnen werken en de vraag: “Wat doe jij?””

  1. Precies het thema waar ik nu in zit. Wie ben ik zonder baan? Ik ervaar het als een pittig en ingewikkeld proces

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven