“Iedereen is wel een beetje autistisch” en andere dingen die vaak gezegd worden

Veel opmerkingen die neurodivergente mensen horen, zijn niet kwaad bedoeld. Ze komen voort uit herkenning, ongemak of de wens om het gesprek licht te houden. Toch kunnen diezelfde zinnen veel doen. Niet omdat ze slecht zijn, maar omdat ze een belangrijk verschil uitwissen.

Het verschil tussen af en toe iets ervaren en er dagelijks door beperkt worden.

“Iedereen is wel een beetje autistisch” en “maar dat heb ik ook”
Deze uitspraken horen vaak bij elkaar. Wat mensen meestal bedoelen, is: ik herken iets van wat je zegt. Ik wil laten zien dat je niet alleen bent. Het probleem zit niet in die intentie, maar in wat er verdwijnt.

Iedereen is weleens overprikkeld. Iedereen heeft weleens last van fel licht, lawaai of chaos. Net zoals iedereen weleens hoofdpijn heeft. Maar af en toe hoofdpijn hebben, is iets anders dan leven met migraine. Bij neurodivergentie gaat het niet om losse momenten, maar om een structureel patroon. Om dagelijkse belasting die zich opstapelt en daadwerkelijk belemmert in het dagelijks leven.

Door ervaringen gelijk te trekken, wordt dat verschil onzichtbaar. Wat bedoeld is als verbinding, kan voelen als bagatellisering.

“Je ziet er helemaal niet autistisch uit”
Deze opmerking zegt vaak meer over het beeld dat iemand heeft van autisme dan over degene tegen wie het wordt gezegd. Autisme heeft geen uiterlijk. Er bestaat geen vaste manier waarop iemand eruitziet.

Veel neurodivergente mensen functioneren juist doordat ze zich jarenlang hebben aangepast. Ze hebben geleerd hun gedrag te sturen, reacties te filteren en grenzen te negeren. Dat maakt dat je het aan de buitenkant niet ziet. Soms maak ik er een grap over en zeg ik dat ik mijn autistische neus vandaag thuis heb gelaten, maar die grap raakt wel iets. Alsof autisme iets is wat je aan of uit kunt zetten.

Wat deze zin vaak doet, is het gesprek afsluiten. Terwijl er juist ruimte nodig is.

“Je moet gewoon…” en goedbedoelde oplossingen
Veel mensen willen helpen. Dat is oprecht. Zeker wanneer iemand vertelt dat dingen als plannen, beginnen of schoonmaken lastig zijn, volgen er vaak tips. Handige hulpmiddelen, slimme systemen, praktische oplossingen.

Het probleem is alleen: weten hoe iets moet, is niet hetzelfde als het kunnen uitvoeren. Veel neurodivergente mensen weten heel goed wat er moet gebeuren. Ze hebben de stappen al eindeloos doordacht. Het knelpunt zit niet in kennis, maar in uitvoering. In energie, overzicht, stress en executieve functies.

Goedbedoelde oplossingen missen vaak de kern en kunnen onbedoeld de boodschap afgeven dat iemand het zichzelf moeilijk maakt, terwijl dat niet zo is.

“Een diagnose is toch geen excuus?”
Dat klopt. Een diagnose is geen vrijbrief om nergens rekening mee te houden. En ja, er zijn mensen die hun diagnose als excuus gebruiken. Dat mag benoemd worden.

Maar uitleg is iets anders dan een excuus. Zeggen waarom iets lastig is, is geen afschuiven van verantwoordelijkheid. Het is context geven. Het is aangeven dat dezelfde verwachting voor de één haalbaar is en voor de ander niet, of niet altijd.

Voor veel neurodivergente mensen is het juist belangrijk om te kunnen zeggen: ik wil dit wel, maar dit is waarom het voor mij anders werkt.

“Maar je functioneert toch?” en “gisteren kon je het wel”
Deze uitspraken raken aan hetzelfde misverstand: dat functioneren gelijkstaat aan het goed hebben. Veel mensen zien alleen de buitenkant. Iemand die werkt, praat, lacht en afspraken nakomt.

Wat ze niet zien, is wat er gebeurt als de deur dichtgaat. De totale instorting. De uitputting. Het niets meer kunnen. Zeker bij mensen met een late diagnose is maskeren vaak jarenlang de norm geweest. Dat kost kracht. Dat kost gezondheid.

Dat iets gisteren lukte, betekent niet dat het vandaag ook kan. Draagkracht fluctueert. Dat is geen onwil, maar realiteit.

“Je bent niet zo autistisch als…”
Autisme is een spectrum. Dat betekent niet meer of minder, maar anders. Vergelijken met een broer, neef, kind of kennis zegt weinig. Iedereen heeft een eigen combinatie van kenmerken, belasting en coping.

Deze vergelijking kan twijfel zaaien, alsof je je moet verantwoorden voor hoe jouw autisme eruitziet.

“Je gebruikt het wel vaak”
Deze opmerking raakt aan iets fundamenteels. Veel neurodivergente mensen zijn open over hun autisme of ADHD, niet omdat het hun hele identiteit is, maar omdat het overal in doorwerkt. Neurodivergentie zit niet alleen in het denken. Het zit in het zenuwstelsel, in het lichaam, in hoe prikkels binnenkomen, hoe stress wordt ervaren en hoe energie verdeeld wordt.

Voor mij is dat ook waarom ik zeg: ik ben autistisch. Niet omdat dat het enige is wat mij definieert. Ik ben ook moeder, partner, dochter, ondernemer. Maar autistisch zijn zit in elke vezel van mijn lijf. Het is geen ziekte die ik heb en waar ik vanaf zou kunnen. Het is hoe mijn lichaam en brein functioneren en hoe ik de wereld ervaar.

Dat is mijn persoonlijke manier om het te benoemen. Voor anderen kan dat anders voelen. Sommige mensen zeggen liever: ik heb autisme. Anderen wisselen het af, afhankelijk van context. Er is hierin geen juiste of foute formulering. Wat telt, is wat voor de persoon zelf klopt.

Juist omdat autistisch zijn voor mij zo verweven is met alles, komt het ook vaak terug in wat ik benoem. Niet omdat ik alles onder autisme schuif, maar omdat het overal invloed op heeft. Benoemen is geen fixatie en geen excuus. Het is uitleg. Het is zichtbaar maken wat anders onzichtbaar blijft.

Waarom dit belangrijk is
Deze zinnen worden vaak gedachteloos gezegd. Toch kunnen ze maken dat neurodivergente mensen zich opnieuw moeten aanpassen, uitleggen of verdedigen. Terwijl erkenning vaak al genoeg zou zijn.

Het gaat niet om perfecte woorden. Het gaat om ruimte laten voor ervaringen die buiten je eigen referentiekader vallen.

Eindvraag voor de lezer
Welke van deze uitspraken hoor jij het vaakst? En helpt die je verder, of maakt hij je juist kleiner?

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven