Soms voelt het alsof ik met één voet op het gaspedaal sta, en de ander op de rem.
Mijn hoofd bruist van ideeën. Mijn hart weet wat ik wil. Maar mijn lijf… dat zegt iets anders.
Ik zou zó graag meer doen. Elke dag lotgenotenmomenten begeleiden. Eén-op-één gesprekken voeren. Mensen helpen, luisteren, ondersteunen. Gewoon, aanwezig zijn, écht aanwezig, voor wie het nodig heeft. Maar de harde realiteit is: dat gaat niet. Mijn energiereserves zijn niet oneindig. Sterker nog, ze zijn inmiddels flinterdun geworden.
Ik heb mezelf jarenlang overvraagd. Meer dan vijfendertig jaar, zonder dat ik wist waarom alles zoveel moeite kostte. Zonder dat ik wist dat ik anders werkte. Dat mijn brein anders werkte. En nu moet ik leven met de gevolgen van al die jaren ‘doorgaan’.
En eerlijk? Dat doet pijn.
Het voelt soms alsof ik barst van de potentie, en er tegelijk niks meer mee kan.
Alsof ik een prachtig orkest in mijn hoofd heb, maar nog maar net genoeg energie om één viool te stemmen.
En ja… soms ben ik ook gewoon boos. Verdrietig.
Om alles wat ik had willen doen. Kunnen doen. Wat in me zat, maar waar ik simpelweg de brandstof niet meer voor heb.
Ik voel het in golven. Een soort rauw gemis van wat had kunnen zijn.
En dat is niet klein of onbenullig. Dat is rouw.
Rouw om een versie van mezelf die er misschien had kunnen zijn, als ik eerder was gezien.
Als ik eerder had geleerd hoe mijn energie werkt.
Als ik niet zo lang mezelf had overruled omdat ik dacht dat het zo hoorde.
Ik zie het zó helder voor me.
Hoe ik Neurodivers Denken zou uitbouwen tot iets dragends.
Hoe ik mensen zou begeleiden, elke dag opnieuw. Luisteren, spiegelen, verbinden.
Écht aanwezig zijn voor wie dat nodig heeft, op een manier die raakt, die blijft hangen.
Ik wéét dat ik daar goed in ben. Dat het klopt.
Maar mijn lijf zegt: stop.
En het voelt soms alsof ik met één hand een droom probeer vast te houden, terwijl de ander krampachtig mijn eigen overleving probeert te bewaken.
Dat contrast is keihard.
Het idee dat je ‘zoveel in je hebt’… maar het er niet uit kunt laten komen.
Alsof je een prachtig boek in je hoofd hebt, maar maar één pagina per week kunt schrijven.
Alsof je een vuur draagt, maar de lucifers op zijn.
En soms denk ik dan: waarom heb ik zo lang niet geweten wat er met me aan de hand was? Waarom heb ik zo lang gedacht dat ik gewoon zwak was, lui, dramatisch?
Dat knaagt. Dat snijdt.
En ik laat het toe. Die boosheid. Dat verdriet.
Want ik wil niet meer doen alsof het er niet is.
Maar ik wil er ook niet in blijven hangen. Omdat het me leegzuigt. En dat kan ik me simpelweg niet permitteren.
En toch… is daar ook die andere kant.
De kant die zegt: kijk eens wat er wél lukt.
Blogposts waar mensen zich in herkennen. Berichten van lezers die zeggen: “Ik begrijp mijn partner nu beter.” Of: “Ik heb dit doorgestuurd naar mijn hulpverlener, want jij beschrijft precies hoe het voelt.”
Elke keer dat iemand zich gehoord voelt door mijn woorden, voel ik: dit is waarom ik het doe.
Daarom blijf ik schrijven. Daarom blijf ik delen.
Kwetsbaar. Open. Echt.
Want ik weet: ik ben maar één autist. En elke autist is anders. Maar misschien, als ik gewoon blijf vertellen hoe het voor mij is, dan raakt dat iets bij een ander. En misschien voelt iemand zich dan minder alleen.
Wat me opvalt, in gesprekken, op lotgenotenavonden, is hoe hard we voor onszelf zijn.
Hoeveel we van onszelf verwachten. Hoe vaak we denken dat we nog net even moeten volhouden, iets moeten afmaken, sterk moeten zijn.
En ja, we zijn sterk. We kunnen veel. Maar dat heeft een prijs.
Wat mij geholpen heeft, is de keiharde realisatie: ik ben zelf degene die de meeste schade oploopt als ik in boosheid, verdriet of frustratie blijf hangen. Het kost energie die ik domweg niet heb.
Leren loslaten, dat klinkt zo simpel. Maar het heeft me jaren gekost.
Wat voor mij werkte? Herhalen. Keer op keer.
“Ik mag lief zijn voor mezelf.”
“Ik mag een hele dag op de bank liggen.”
“Ik mag leuke dingen doen, omdat ik positieve prikkels nodig heb.”
“Ik mag grenzen stellen.”
“Ik mag slapen.”
“Ik mag doen wat ik nodig heb om te herstellen.”
“Ik mag gewoon zijn – ook als dat niet productief is.”
En nee, dat komt niet vanzelf. Wat mij daar ook in geholpen heeft, is mijn begeleiding. Mensen die spiegels voorhouden. Die het durven zeggen als ik mezelf afbreek. Die me helpen ook de kleine dingen te zien.
Zoals: op de bank liggen ís ook iets doen. Het is zelfzorg. Het is herstel.
Dus als ik iets wil meegeven, is het dit:
Je bent niet zwak als je moet pauzeren.
Je faalt niet als je prioriteit geeft aan herstel.
Je bent niet minder waard als je grenzen stelt.
En het is oké als je het allemaal nog moet leren.
Blijf herhalen wat je nodig hebt. Ook als het nog niet voelt alsof je het ‘waard bent’.
Voor je het weet, wordt het geen zwakte meer, maar kracht.
Een stille, zachte kracht.
De kracht van mild zijn, voor jezelf.






